Aan de rand van de vicus: Romeinse sporen in Tienen
Jeska Pepermans
Archeologisch onderzoek Tramstraat, Viaductstraat en Grijpenveldstraat te Tienen
figuur 1: aanleg van de opgraving langsheen de Viaductstraat in Tienen
Naar aanleiding van rioolwerken en wegeniswerken voerde INDAR een archeologische opgraving uit ter hoogte van de Tramstraat, de Viaductstraat en de Grijpenveldstraat in Tienen. Het onderzoeksgebied van ca. 5.537 m² ligt aan de rand van de Romeinse vicus van Tienen en nabij de vroeg-Romeinse begraafplaats Grijpenveld, en beloofde dan ook interessante inzichten op te leveren over deze belangrijke Romeinse nederzetting.
Grote delen van het terrein bleken sterk verstoord door latere wegeniswerken. Toch kwamen in drie zones nog archeologische sporen aan het licht: vooral kuilen met Romeins aardewerk, daterend uit de 2de en 3de eeuw na Chr. Het gaat om afvalkuilen en grotere ontginningskuilen, vermoedelijk gebruikt voor de winning van leem. In het noordwesten van het terrein werd een opvallend grote, schachtvormige kuil aangetroffen die sterk gelijkt op ontginningskuilen die eerder werden gevonden aan de Stationsparking en de Grijpenveldsite in Tienen. Mogelijk werd deze periferie van de vicus dan ook actief ontgonnen voor de bouw van Romeinse constructies elders in de stad.
Figuur 2: zicht op het opgravingsvlak in werkput 1 (Viaductstraat)
De opgraving leverde wel een rijk gevuld vondstenensemble op, met voornamelijk lokaal geproduceerd aardewerk zoals mortaria, gesmookte waar en tafelwaar, aangevuld met geïmporteerde luxewaar zoals terra sigillata uit Oost-Gallië. Ook opmerkelijk: onder het gevonden natuursteen zit tefriet uit het Duitse Eifelgebied, wat wijst op verre handelscontacten tijdens de Romeinse periode.
Figuur 3: fragmenten van terra sigillata, geïmporteerd luxeaardewerk uit Oost-Gallië
Hoewel er geen gebouwstructuren werden teruggevonden, vormen de sporen en vondsten een waardevolle aanvulling op onze kennis van de laatste bloeiperiode van de vicus van Tienen, tussen de 2de en 3de eeuw na Chr.
Het onderzoek werd uitgevoerd door Maarten Praet en Jeska Pepermans, met bijdragen van Pierre Legrand en Tim R. Clerbaut.